systemisch werk

Waarnemen voordat je weet wat het betekent

Over wat we eigenlijk weten wanneer er in een opstelling iets raaks gebeurt.

door Marthijn de Rooij · 4 oktober 2026 · 11 min lezen

Tijdens systemisch werk kunnen ervaringen ontstaan die onverwacht raak of betekenisvol zijn.

Een representant zegt of voelt iets wat vooraf niet verteld was, en de vraaginbrenger herkent het. Een positie in de ruimte roept iets sterks op. Iemand wil afstand nemen zonder precies te begrijpen waarom. Er ontstaat verdriet, spanning of een beweging die niemand vooraf heeft bedacht.

Voor wie hiermee werkt ontstaat dan een fundamentele vraag:

Wat weten we eigenlijk wanneer zoiets gebeurt?

Of zulke ervaringen voorkomen, interesseert mij niet het meest. Ze komen voor en kunnen voor deelnemers bijzonder betekenisvol zijn. Interessanter vind ik wat we vervolgens met zo'n ervaring doen.

Wanneer wordt een waarneming een betekenis?

Wanneer wordt betekenis een verklaring?

En hoe voorkom je dat een ervaring die werkelijk iets opent verandert in een waarheid die je niet kunt onderbouwen?

Daarbij zie ik minstens drie verleidingen.

We kunnen te snel verklaren: dit komt van je vader, je draagt iets van je moeder, het systeem laat dit zien.

We kunnen het tegenovergestelde doen: we weten niet hoe dit werkt, dus de ervaring zegt eigenlijk niets.

Maar er bestaat nog een derde beweging. Misschien komt die binnen systemisch en spiritueel georiënteerd werk nog wel vaker voor. We maken het onbekende groter, zachter of abstracter totdat het nauwelijks meer toetsbaar is.

Alles is liefde.

Het veld weet wat nodig is.

Dit gaat over overgave.

Op een dieper niveau is alles precies zoals het moet zijn.

Daarmee lijkt ruimte te ontstaan voor het mysterie, maar er kan iets anders gebeuren: we hoeven niet meer nauwkeurig te onderzoeken wat er werkelijk plaatsvindt.

Precies daar raakt systemisch werk voor mij aan fenomenologie.

Niet als een manier om het onbekende een verheven betekenis te geven, maar als een discipline om zorgvuldiger te kijken wanneer we nog niet weten wat iets betekent.

Eerst terug naar wat zich daadwerkelijk voordoet

Fenomenologie kent verschillende tradities en methoden. Het is dus te eenvoudig om over de fenomenologische methode te spreken.

Wat veel fenomenologische benaderingen wel delen, is een poging om opnieuw aandacht te geven aan ervaring zoals die zich daadwerkelijk voordoet, voordat bestaande verklaringsmodellen haar volledig hebben ingedeeld.

De Britse fenomenologische onderzoeker Linda Finlay noemt dat seeing afresh: opnieuw leren kijken. In haar beschrijving van fenomenologisch onderzoek begint het niet bij theorie, maar bij het innemen van een fenomenologische houding en het zo concreet mogelijk binnengaan van de geleefde ervaring. Pas daarna worden impliciete betekenissen onderzocht en kunnen theoretische referentiekaders worden betrokken. Dat proces verloopt volgens haar niet netjes lineair, maar iteratief. Je kijkt, begrijpt iets, keert terug, kijkt opnieuw.

Dat klinkt misschien eenvoudig.

In de praktijk is het behoorlijk veeleisend.

Want zodra wij iets meemaken, beginnen we vrijwel onmiddellijk te ordenen. We herkennen patronen, koppelen wat we zien aan eerdere ervaringen en gebruiken begrippen die ons helpen begrijpen wat er gebeurt.

Dat vermogen hebben we nodig. Zonder interpretatie kunnen we nauwelijks functioneren.

Maar interpretatie heeft ook een schaduwzijde:

wat we al kennen, kan gaan bepalen wat we nog kunnen zien.

Een systemische begeleider die overal loyaliteit verwacht, zal waarschijnlijk veel loyaliteit herkennen. Wie sterk vanuit trauma kijkt, vindt gemakkelijk trauma. Wie werkt met vaste ideeën over vaders, moeders, ordening of generaties kan een situatie al hebben geduid voordat deze werkelijk onderzocht is.

Theorie vergroot ons gezichtsveld en kan het tegelijkertijd vernauwen.

Precies daar wordt de fenomenologische houding interessant.

Jezelf zo leeg mogelijk maken

Waar fenomenologie spreekt over het terughouden van vooronderstellingen, kent het systemisch werk een verwante formulering: jezelf als begeleider zo leeg mogelijk maken.

Dat vraagt wel om precisie. Leeg worden betekent niet dat je werkelijk zonder kennis, geschiedenis, gevoelens, gedachten of vooronderstellingen kunt waarnemen. Die neem je altijd mee. Leegte is voor mij eerder een richting: zo min mogelijk vasthouden aan wat ik denk dat er moet gebeuren.

Aan mijn oordeel. Aan mijn behoefte om te helpen. Aan mijn verlangen naar een bepaalde uitkomst. Aan een theorie die ik graag bevestigd wil zien. Aan mijn eerste interpretatie.

Je maakt jezelf niet leeg van ervaring, maar probeert jezelf zo leeg mogelijk te maken van de neiging om die ervaring onmiddellijk te sturen of vast te leggen.

Juist daarom vraagt deze houding niet om minder zelfwaarneming, maar om meer. Wat gebeurt er in mij? Welke lichamelijke reactie ontstaat? Welke emotie wordt geraakt? Welke gedachte schiet door me heen? Wil ik ergens naartoe? Hoop ik dat iets waar blijkt te zijn?

Dat alles mag er zijn. De vraag is alleen of ik eraan vastzit, en of het ongemerkt bepaalt wat ik vervolgens bij de ander meen te zien.

Karin Dahlberg en collega's gaan in hun werk in op die ingewikkelde verhouding tussen waarnemer en datgene wat wordt waargenomen. Zij benadrukken dat degene die onderzoekt nooit volledig losstaat van het onderzochte verschijnsel. Hun begrip bridling gaat daarom niet over het uitschakelen van vooronderstellingen, maar over het beteugelen van de neiging om te snel te begrijpen.

Daarin zie ik een duidelijke verwantschap met wat binnen systemisch werk met leegte wordt bedoeld. Niet doen alsof je niets meebrengt, maar dat wat je meebrengt zo licht mogelijk vasthouden. Zodat wat je al weet niet te snel bepaalt wat er nog zichtbaar kan worden.

Een ervaren begeleider brengt immers altijd iets mee: opleiding, theorie, praktijkervaring, intuïtie, persoonlijke geschiedenis, gevoeligheden en duizenden kleine patroonherkenningen.

Deskundigheid zit niet in het ontbreken daarvan.

Deskundigheid zit ook in het vermogen om te zeggen:

Dit is wat ik meen te herkennen, maar ik weet nog niet of dit is wat hier gebeurt.

Dat lijkt een kleine verschuiving in taal.

Methodisch is het een grote.

Het lichaam doet mee

Dat wordt nog ingewikkelder zodra waarneming niet alleen via woorden verloopt.

Wie mensen begeleidt, weet dat een gesprek niet uitsluitend cognitief plaatsvindt. We reageren lichamelijk op elkaar. Spanning verandert. Ademhaling verandert. We voelen afstand of nabijheid. Soms merken we iets op voordat we er woorden voor hebben.

Finlay onderzocht dit binnen fenomenologisch onderzoek onder de noemer reflexive embodied empathy. Haar uitgangspunt is dat de lichamelijke en intersubjectieve betrokkenheid van een onderzoeker niet eenvoudig buiten het onderzoeksproces kan worden geplaatst. Juist die betrokkenheid kan betekenisvol zijn voor het onderzoek, mits zij reflexief wordt onderzocht.

Finlay schrijft over de onderzoeker. Haar werk zegt iets over mijn eigen lichamelijke betrokkenheid als begeleider, niet over wat een representant in een opstelling ervaart. Dat is een ander verschijnsel.

Voor die eigen betrokkenheid is het woord reflexief essentieel.

Mijn lichamelijke reactie is niet hetzelfde als een objectief feit over jou.

Als ik tijdens een begeleiding plotseling spanning voel, is die spanning werkelijk als mijn ervaring. Maar daarmee weet ik nog niet waar zij vandaan komt.

Misschien reageer ik op iets wat tussen ons gebeurt.

Misschien herken ik onbewust iets in houding, stemgebruik of beweging.

Misschien wordt iets uit mijn eigen geschiedenis geraakt.

Misschien ontstaat er iets wat ik nog niet goed kan verklaren.

En misschien blijkt mijn ervaring voor het onderzoek helemaal niet relevant.

Daarom vind ik de zin “ik voel het, dus het is waar” problematisch.

Maar de tegenovergestelde conclusie, “het is subjectief, dus het zegt niets”, doet evenmin recht aan de complexiteit van menselijke ontmoeting.

De interessantere vraag is:

wat gebeurt er wanneer ik deze ervaring als ervaring serieus neem, zonder haar oorsprong al te kennen?

Betekenis is nog geen verklaring

Hier raakt fenomenologie voor mij rechtstreeks aan een van de spannendste kanten van systemisch werk.

Tijdens opstellingen doen zich soms ervaringen voor die deelnemers als buitengewoon treffend beschrijven.

Een representant gebruikt woorden die sterk resoneren.

Een beweging in de ruimte krijgt onverwacht betekenis.

Een lichamelijke reactie blijkt herkenning op te roepen bij de vraaginbrenger.

In opstellingswerk gebruiken we wat representanten ervaren als werkmateriaal. Dat is een keuze binnen de methode. Hoe zulke ervaringen ontstaan, is daarmee nog niet verklaard.

Het zou intellectueel oneerlijk zijn om te doen alsof zulke ervaringen niet voorkomen.

Maar het zou net zo onzorgvuldig zijn om vanuit het bestaan van zo'n ervaring direct een mechanisme vast te stellen.

Dat iets gebeurt, vertelt ons nog niet automatisch waardoor het gebeurt.

Die zin lijkt vanzelfsprekend, maar hij heeft grote consequenties.

Want er zijn verschillende vragen mogelijk:

Wat werd er daadwerkelijk waargenomen?

Wat ervoer de representant?

Welke betekenis kreeg die ervaring voor de vraaginbrenger?

Welke interpretatie geeft de begeleider eraan?

Welk theoretisch model gebruiken we vervolgens om het te begrijpen?

En welke uitspraak doen we uiteindelijk over de werkelijkheid?

Die niveaus lopen in de praktijk gemakkelijk door elkaar.

“Ik krijg het benauwd” is een ervaring.

“Dat doet me denken aan mijn vader” is betekenisgeving.

“Misschien raakt deze positie iets in de relatie met je vader” is een hypothese.

“Jij draagt de verstikking van je vader” is een veel sterkere uitspraak.

Daar is onderweg iets gebeurd: een ervaring is veranderd in een verklaring.

Juist op dat overgangspunt wil ik zorgvuldiger worden.

Ook vaagheid kan een vlucht uit het niet-weten zijn

Er bestaat nog een andere manier waarop die zorgvuldigheid verloren kan gaan.

Wanneer we iets niet goed begrijpen, kunnen we het namelijk ook groter maken dan het is.

We verlaten dan het concrete niveau van de ervaring en bewegen naar formuleringen die bijna niet meer te onderzoeken zijn.

“Alles gebeurt met een reden.”

“Het systeem weet wat jij nodig hebt.”

“Je ziel heeft hiervoor gekozen.”

“Dit gaat uiteindelijk gewoon over liefde.”

“Je hoeft het niet te begrijpen, je mag het alleen voelen.”

“Op een dieper niveau is alles goed.”

Sommige van deze zinnen kunnen binnen een filosofische, religieuze of spirituele context betekenis hebben. Het probleem ontstaat wanneer ze in begeleiding worden gebruikt als antwoord op iets wat juist nog onderzocht moet worden.

Bij een zin als “het veld weet wat nodig is” helpt het om twee dingen uit elkaar te halen. Je kunt hem lezen als een uitspraak over hoe de werkelijkheid werkt. Dan beweer je iets wat je niet kunt onderbouwen. Je kunt hem ook lezen als werkhouding: ik bepaal niet vooraf waar het heen moet, ik volg wat zich aandient. Die houding kan in de praktijk veel waard zijn. Maar ook volgen is niet neutraal. Er dient zich altijd meer aan dan ik kan volgen. Wat ik opmerk en waar ik op inga, blijft mijn keuze.

Stel dat iemand vertelt jarenlang vernederd te zijn door een ouder.

Dan kunnen we onderzoeken wat er gebeurde, wat de gevolgen daarvan zijn, welke verhouding iemand nu tot die ouder heeft, welke bescherming is ontstaan en wat iemand vandaag nodig heeft.

Maar we kunnen ook van niveau wisselen:

“Misschien heeft je ziel hiervoor gekozen.”

Of:

“Op een dieper niveau is ook dit liefde.”

De werkelijkheid wordt dan niet verdiept maar verlaten.

Er ontstaat een uitspraak die zo groot is dat zij nauwelijks nog tegengesproken of onderzocht kan worden.

Dat is iets anders dan niet-weten.

Werkelijk niet-weten maakt mij nieuwsgieriger naar wat er concreet gebeurt. Vaagheid maakt juist dat minder belangrijk.

Dat onderscheid is voor mij wezenlijk.

Wanneer iets onduidelijk wordt, hoeft mijn taal daarom niet groter te worden.

Mijn waarneming moet preciezer worden.

Wat gebeurde er precies?

Wie ervaart wat?

Wat weten we wel?

Wat voegen we zelf toe?

Wat weten we niet?

Op welk niveau doen we nu eigenlijk een uitspraak?

Fenomenologische openheid is daarmee niet hetzelfde als grenzeloze betekenisgeving.

Misschien is juist het tegenovergestelde waar.

Hoe minder ik weet, hoe zorgvuldiger ik moet worden in wat ik zeg.

Ruimte laten voor wat nog geen taal heeft

Niet alles wat betekenisvol is, laat zich onmiddellijk in heldere begrippen vangen.

Merel Visse, Finn Hansen en Carlo Leget onderzoeken vanuit arts-based research en fenomenologie juist die grens. Zij schrijven over dimensies van ervaring die zich niet volledig laten zeggen en over vormen van weten waarin ook non-knowing een plaats heeft.

Hun werk is geen bewijs voor systemische fenomenen of voor wat er tijdens een opstelling gebeurt. Dat zou een verkeerde toepassing van hun onderzoek zijn.

Het biedt wel een relevant filosofisch perspectief: het ontbreken van een sluitende verklaring betekent niet automatisch dat een ervaring leeg of betekenisloos is.

Ook kunst kent dat gebied.

Een schilderij hoeft niet eerst volledig verklaard te worden voordat het iets met ons kan doen.

Dat betekent niet dat iedere interpretatie ervan even juist is.

Het betekent dat ervaren en verklaren verschillende handelingen zijn.

Liora Bresler beschrijft hoe artistieke processen kwaliteiten kunnen trainen die ook voor kwalitatief onderzoek relevant zijn: aandacht, waarneming, empathisch verstaan en het kunnen bewegen tussen nabijheid en afstand.

Ook hier gaat het niet om bewijs voor systemisch werk.

Voor mij is het wel een interessante verbinding met kunstenaarschap:

kijken zonder onmiddellijk dicht te maken wat je ziet.

Misschien is dat een van de vaardigheden die zowel een kunstenaar als een begeleider nodig heeft.

Lang genoeg bij iets kunnen blijven voordat het een naam krijgt.

Maar ook hier geldt: het onzegbare hoeft niet automatisch het verhevene te worden.

Dat iets nog geen woorden heeft, maakt het niet groter, heiliger of waarachtiger.

Het betekent in eerste instantie alleen dat onze woorden nog tekortschieten.

Niet-weten is iets anders dan niets weten

Daarmee kom ik bij een paradox.

Een professionele begeleider moet veel weten.

Over mensen. Over relaties. Over ontwikkeling. Over groepsdynamiek. Over systemische theorie. Over grenzen van het eigen vak. Over zichzelf.

En tegelijkertijd moet diezelfde begeleider zijn kennis soms kunnen opschorten.

Niet omdat kennis onbelangrijk is, maar omdat kennis anders gemakkelijk verandert in een antwoordapparaat.

Voor mij betekent niet-weten daarom niet: blanco zijn.

Het betekent:

weten wat je weet en tegelijkertijd ruimte houden voor wat daar niet in past.

Ik kan een systemische dynamiek herkennen en haar als mogelijkheid onderzoeken.

Ik kan lichamelijke resonantie voelen en haar meenemen zonder haar tot waarheid te verheffen.

Ik kan een model gebruiken en merken dat dit specifieke leven zich er niet netjes naar gedraagt.

Ik kan diep geraakt zijn door wat tijdens een opstelling gebeurt en toch zeggen:

ik weet niet precies hoe dit ontstaat.

En vervolgens niet vluchten in een verklaring of een groot spiritueel antwoord.

Maar terugkeren naar wat er werkelijk gebeurt.

Dat laatste maakt het werk voor mij niet minder bijzonder.

Eerder betrouwbaarder.

Een andere vorm van autoriteit

We associëren autoriteit gemakkelijk met zekerheid.

Degene die weet wat er speelt, die benoemt waar iets vandaan komt en die kan vertellen wat er moet gebeuren, lijkt deskundig.

Binnen meer spiritueel georiënteerd werk kan autoriteit ook een andere vorm aannemen. Niet degene die precies weet wat er speelt, maar degene die toegang lijkt te hebben tot een dieper niveau van waarheid krijgt gezag.

Beide posities kunnen problematisch worden.

In werk waarin mensen hun relaties, geschiedenis, pijn en identiteit onderzoeken, kan te veel zekerheid iemand afhankelijk maken van de interpretatie van de begeleider.

Maar hetzelfde geldt voor taal die zich zo hoog boven de concrete werkelijkheid verheft dat zij nauwelijks nog bevraagd kan worden.

Fenomenologische zorgvuldigheid vraagt een andere vorm van autoriteit.

Niet:

ik weet wat jouw systeem mij vertelt.

Ook niet:

op een dieper niveau weet het systeem zelf wel wat goed voor je is.

Maar:

ik kan zorgvuldig met je onderzoeken wat hier verschijnt, en ik kan onderscheiden wat ik waarneem, wat ik vermoed en wat ik niet weet.

Dat is geen terugtrekkende beweging.

Een begeleider mag scherp zijn. Een hypothese mag confronterend zijn. Een interventie mag iets in beweging brengen. Maar scherpte, zekerheid en verheven taal zijn niet hetzelfde. Als een interventie iets in beweging brengt, kan ik onderzoeken wat er verandert. Dat er iets verandert, bewijst nog niet dat mijn hypothese over het systeem klopt of waardoor die verandering ontstaat.

Misschien ligt professionele volwassenheid juist in het kunnen verdragen dat een verschijnsel betekenisvol kan zijn terwijl de verklaring openblijft.

Wat dit voor mijn werk betekent

Deze manier van kijken verandert ook hoe ik naar systemisch werk zelf kijk.

Ik hoef niet te kiezen tussen geloof en scepsis.

Ik hoef een onverwachte ervaring tijdens een opstelling niet te reduceren omdat ik het mechanisme niet kan verklaren.

Maar ik hoef het onbekende mechanisme ook niet zelf in te vullen.

En ik hoef het onbekende evenmin groter te maken dan het is.

Ik kan eerst vragen:

Wat gebeurt er?

Wat ervaar je?

Wat verandert wanneer je hier blijft staan?

Wat gebeurt er wanneer we iets verschuiven?

Wat herken je en wat juist niet?

Welke betekenis krijgt dit voor jou?

Wat weten we hier eigenlijk nog niet?

En misschien pas veel later:

welk model helpt ons dit begrijpen?

Voor mij is dat niet minder systemisch.

Het is systemisch werk met meer epistemische discipline.

De ervaring mag groot zijn. De uitspraak erover moet precies genoeg blijven.

Dat is op dit moment misschien wel de eenvoudigste formulering van de houding die ik zoek.

Niet minder openstaan voor wat zich aandient.

Niet minder vertrouwen op ervaring, lichaam of intuïtie.

Wel zorgvuldiger onderscheiden wanneer ik waarneem, wanneer ik betekenis geef en wanneer ik iets beweer.

En wanneer ik het niet weet, niet vluchten naar een groter verhaal.

Juist dan dichter bij de ervaring blijven.

Want misschien begint goed begeleiden niet bij degene die het snelst begrijpt wat er aan de hand is.

En ook niet bij degene die er de grootste woorden voor heeft.

Misschien begint het bij degene die lang genoeg aanwezig kan blijven om werkelijk te zien wat er gebeurt.

Bronnen

Bresler, L. (2006). Toward Connectedness: Aesthetically Based Research. Studies in Art Education, 48(1), 52–69.

Dahlberg, K., Dahlberg, H., & Nyström, M. (2008). Reflective Lifeworld Research (2nd ed.). Lund: Studentlitteratur.

Dahlberg, H., & Dahlberg, K. (2020, online gepubliceerd 2019). Open and Reflective Lifeworld Research: A Third Way. Qualitative Inquiry, 26(5), 458–464.

Finlay, L. (2005). Reflexive Embodied Empathy: A Phenomenology of Participant-Researcher Intersubjectivity. The Humanistic Psychologist, 33(4), 271–292.

Finlay, L. (2013, online gepubliceerd 2012). Unfolding the Phenomenological Research Process: Iterative Stages of “Seeing Afresh”. Journal of Humanistic Psychology, 53(2), 172–201.

Visse, M., Hansen, F., & Leget, C. (2019). The Unsayable in Arts-Based Research: On the Praxis of Life Itself. International Journal of Qualitative Methods, 18, 1–13.

Verder kijken

Wil je hier samen naar kijken?

In een workshop of een individuele sessie wordt zichtbaar wat in jouw situatie meespeelt.

Verder lezen
  • systemisch werkWat is een workshop familieopstellingen?

    Wat gebeurt er tijdens een familieopstelling, hoe werken representanten en wat kan systemisch kijken zichtbaar maken in terugkerende patronen?

  • systemisch werkWij zijn onze ouders

    Over onze ouders als oorsprong, wat we uit ons familiesysteem meenemen en wat er verandert wanneer we onze plek daarin onderzoeken.

  • emotionele volwassenheidJe weet het. En toch doe je het.

    Over het ongemakkelijke moment waarop je al weet wat je doet, en toch opnieuw dezelfde beweging maakt.